Patronen om geen liefde voor anderen te kunnen voelen
• Je kunt geen liefde geven.
• Je haat hen, ze zijn slecht.
• Je wilt wel liefde voelen, maar je kunt het niet.
• Je weet niet wat liefde voelen is.
• Je hebt geen gevoel van liefde voor andere mensen, je minacht hen.
• De anderen haten jou, jij haat de anderen.
• Je kijkt neer op anderen.
• De anderen zijn minder.
• Je houdt niet van andere mensen.
• Verneder hen, bedreig hen!
• Je kunt niets van hen verdragen.
• Alles wat ze doen, irriteert jou.
• Je kwetst, je wilt hen kwetsen. Je wilt hen laten weten wat je van hen denkt.
.
.
Patronen voor negatieve gevoelens voor mensen en om kritiek te spuien
• Je moet kritiek spuien.
• De mensen zijn slecht, bij bent de goeie.
• Mensen zijn onaangenaam.
• Je houdt niet van hen.
• Een negatief gevoel bij mensen.
• Een gevoel van minachting hebben voor mensen tijdens contacten.
• Je moet het hen zeggen wat je van hen denkt en hoeveel verachting je voelt.
• Mensen in het gezicht zeggen hoe slecht ze zijn.
• Je moet kwetsende opmerkingen maken.
• Veroordeel hen en zeg het hen, zodat ze heel goed weten wat je van hen denkt en wat ze maar waard zijn.
• Een dwang om te roddelen en om iemand achter de rug door het slijk te halen. Een dwang om negatieve dingen over iemand aan een ander te zeggen.
• Mensen willen door het slijk halen, mensen willen vernietigen, een sadistisch plezier in het kunnen vernietigen van anderen door kwaad te spreken.
• Als iemand jou gekwetst heeft, wil je er niets meer mee te maken hebben.
.
.
Patronen om kritiek op anderen te hebben
• Niemand is goed.
• De anderen zijn slecht.
• Ze houden niet van jou, ze zijn slecht. Maak ze zwart voor ze jou voor zijn.
• Ze zullen je vernederen. Zorg dat je hen voor bent.
• Denken vanuit een aantal regeltjes (die vastliggen in het patroon). Zodra iets of iemand van de regel afwijkt – iemand praat bijvoorbeeld op een andere manier dan het regeltje voorschrijft -, dan wordt dat veroordeeld. Dat is dan automatisch verkeerd.
• Zij doen het niet goed, het is verkeerd, het moet anders. Je moet hen zeggen hoe het hoort.
• Heel snel geïrriteerd zijn door andere mensen en door wat ze doen en denken en daar hevig uitvallend op reageren. Zeer weinig kunnen verdragen van anderen.
• Je moet hen op hun fouten wijzen (en ongeveer alles is fout).
• Zeer geïrriteerd zijn door kleinigheden en zich daar heel ongelukkig bij voelen en alles hevig uitvallend moeten bekritiseren.
• Je moet kritiek spuien.
• Je moet je (negatieve) mening zeggen.
• Ze kunnen niets goed doen. Het is steeds hetzelfde. Gecombineerd met een hevig gevoel van irritatie.
• Ze zijn stom, ze zijn dommeriken, ze zijn toch allemaal zo’n idioten. Jij bent de enige goeie.
.
.
Patronen voor een moeilijke relatie van een dochter met de moeder
• Oppositie naar de moeder toe.
• Geen liefdesband met de moeder.
• Een moeder kan niet van jou houden.
• Je krijgt geen liefde van een moeder.
• Er is een patroon dat de verhouding inhoudt tussen haar en haar moeder, en die verhouding herhaalt zich in elk leven waarin ze elkaar ontmoeten. Deze relatie is niet noodzakelijk een relatie moeder-dochter, het kan om het even wat zijn. Deze verhouding tussen hen beiden is: weerzin voor elkaar, haatgevoelens voor elkaar, oppositie naar elkaar toe. Geen begrip voor elkaar, irritatie voor elkaar, geen liefde voor elkaar. Telkens als ze elkaar in een leven ontmoeten, hebben ze deze gevoelens voor elkaar.
• Een moeder zal jou verstoten.
• Je bent eenzaam bij een moeder, je vindt geen begrip bij een moeder, je vindt geen steun bij een moeder.
• Je haat je moeder, je voelt een afkeer voor je moeder, je voelt geen liefde voor je moeder.
• Een moeder kan nooit goed genoeg doen. (Dit patroon geeft haar het gevoel dat haar moeder niet genoeg doet en dat ze nog meer kan eisen).
• Je voelt geen respect voor je moeder.
• Al sinds de geboorte ben je niet welkom.
.
.
Patronen bij de moeder om een moeilijke relatie met een dochter te hebben
• Een patroon dat in elk leven de relatie tussen moeder en dochter bepaalt zoals hierboven beschreven.
• Je trekt een kind aan dat jou niet kan bevallen.
• Vanaf de geboorte voel je een onmiddellijke weerstand voor je kind.
• Je kan geen liefde voelen (en de persoon (of de ziel eigenlijk) om wie het gaat zit in het patroon)
• Je voelt een weerstand voor je kind (en in het patroon zitten ook specificaties van het soort kind of het soort gedrag dat de weerstand opwekt).
• Je kunt haar niet luchten, je doet je uiterste best om het te verbergen.
• Je voelt je schuldig, want je houdt niet van je kind en je probeert dat te compenseren door alles voor haar te doen en haar niets te weigeren.
• Je kunt niet van haar houden.
• Ze is irriterend.
• Ze zet je onder druk.
• Ze is een onaangenaam kind. Dit patroon wordt geactiveerd door een patroon bij het kind dat weerstand opwekt.
• Ze luistert niet, ze heeft geen respect voor jou.
• Je kan haar niet controleren.
• Er is niets wat je voor haar doet, dat ze goed vindt.
• Ze respecteert je niet, ze voelt minachting.
• Ze wil macht over jou.
• Ze heeft macht over jou.
.
.
Patronen om geen vrienden te hebben
• Er zijn geen vrienden.
• Er is geen liefde.
• Er is niemand.
• Niemand houdt van jou.
• De mensen willen jou niet hebben.
• Je werkt hen snel op de zenuwen.
• Ze kunnen niet veel van jou verdragen.
• Je bent hen snel te veel.
• Ze verstoten jou, ze duwen jou weg. Ze willen jou niet, ze moeten jou niet hebben.
• Ze vinden jou niet aangenaam..
• Wat je ook doet, hoe lief je ook bent, ze verstoten jou.
• Je hebt niemand.
• Niemand helpt.
• Je bent alleen.
• Ze kunnen jou niet verdragen.
• Je stoot af.
• Ze voelen een weerstand.
• Je staat er alleen voor.
• Niemand wil jou.
• Je staat alleen in het leven.
• Alleen!
• Je kan met niemand een band vinden.
• Er is afstand.
• Er is geen begrip.
• Ze zijn vreemden, jij bent anders.
• Niemand begrijpt jou.
• Mensen houden niet van jou.
• Je bent niet belangrijk voor een ander.
• Je hebt geen waarde voor een ander.
.
.
Patronen om zich niet te kunnen uiten en om zich afzijdig te houden van anderen
• Je uit je niet, je zwijgt.
• Je zegt niets, je bent stil.
• Je hebt niets te zeggen aan anderen mensen, je blijft in je eigen wereld.
• Je kunt niet communiceren met mensen, je kunt je niet uitdrukken, je kunt het niet zeggen.
• Niet het gevoel hebben dat hij iets wil zeggen aan mensen. Geen contact met de anderen willen, zich afzijdig houden van anderen. Bij zichzelf willen blijven en alleen zichzelf willen voelen, zich afsluiten van anderen. (Deze gegevens zitten in het patroon opgeslagen in beeld- en gevoelvorm, ik zie het beeld met het gevoel erbij.)
• Je zou het zo graag zeggen, maar je krijgt het niet over je lippen.
• Je wilt met niemand samenzijn, je voelt je met niemand één. Je voelt je bij niemand goed, je ontvlucht de anderen.
• Je bent niet goed bij de anderen.
• Wat zou je kunnen zeggen aan anderen dat hen zou boeien: niets! Je hebt niets te zeggen aan andere mensen. Niets kan hen boeien, dus: zwijg!
• Je weet niet wat te zeggen. Er komt niets in je op dat je zou kunnen zeggen. Je staat daar maar en je zwijgt. Daarbij een hevig gevoel van ongemak voelen. Daarbij een angst voelen en in het vervolg deze situatie mijden of zeker niets zeggen om het ongemak en de angst te voorkomen.
• Angst om te moeten praten bij mensen. Daarom zeker zwijgen.
• Niet weten wat te zeggen bij mensen en daarbij een angst voelen en daardoor contacten met anderen mijden en zich afzonderen.
• Je voelt je verstoten bij mensen. Je voelt je niet opgenomen bij mensen, je voelt je alleen staan. Je kunt geen verbinding leggen, je voelt je uitgestoten.
• Ze zullen je niet aanvaarden, ze zullen je verstoten, en angst.
• Hevige angst om niet aanvaard te worden.
• Zich mentaal totaal afsluiten van de buitenwereld, zich totaal opsluiten in zichzelf om het contact met de buitenwereld te verbreken.
.
.
Patronen om met iedereen ruzie te maken
• Zich zeer ongelukkig voelen, zich klein en vernederd en uitgestoten voelen. Daarom anderen aanvallen: uit frustratie.
• Een neiging om anderen aan te vallen, om anderen uit te dagen.
• Naar buiten willen komen met zichzelf, willen opgemerkt worden, (door de onderliggende frustratie van niet aan bod te komen). Door anderen opmerkingen te geven, trekt hij de aandacht naar zich en wordt hij opgemerkt.
• Je moet ruzie zoeken. Dat maakt je gelukkig, dat vermindert het gevoel van frustratie van niets waard te zijn.
• Er is altijd ruzie.
• Er moet ruzie zijn.
• Bij elke situatie moet je onenigheid zaaien. Een dwang om waar harmonie is, onrust te zaaien. Een dwang om ruzie te stoken.
• De anderen zijn tegen jou, en daar komt ruzie van. Je voelt je aangevallen en gaat in de tegenaanval.
• Ruzie behoort tot je leven, is een essentieel onderdeel van je leven. Daarzonder kun je niet bestaan. Ruzie geeft je het recht om er te zijn, geeft je een waarde in de maatschappij. Door ruzie ben je aanwezig en word je verheven uit je onzichtbaarheid en onbelangrijkheid. Er is geen leven zonder ruzie, er is geen bestaan zonder ruzie.
• Al ruziestokend moet je door het leven gaan.
• Ze vallen je aan. Vecht, verdedig je, ga in de aanval. Laat je niet op je kop zitten.
• Ze willen je manipuleren. Ga in de aanval.
• Hevig geagiteerd zijn door de kleinste opmerking van een ander, en daarop met verbale uitvallen reageren.
.
.
Patronen voor onaangenaam gedrag
• Jij bent belangrijk, zorg dat je gezien wordt.
• Als je geen aandacht krijgt, moet je zorgen dat je gezien wordt.
• Negatieve gevoelens voor anderen, iedereen als onaangenaam ervaren.
• Je moet vernietiging zaaien waar er harmonie is. Waar vreugde is, moet je pijn veroorzaken.
• Kwets!
• Ze zijn het niet waard. Verneder hen.
• Een hoge eigendunk. Neerkijken op anderen.
• Geen liefde voelen voor anderen.
• Een ander achteruit willen duwen. Zelf op de voorgrond willen treden.
• Kwaadspreken over anderen en de anderen verklikken. Er plezier in vinden als een ander gestraft wordt.
• Heimelijk plezier als een ander lijdt.
• Een ander willen neerhalen in de ogen van de leerkracht.
• Iemand in het openbaar bekritiseren om hem in de ogen van de anderen neer te halen.
• De anderen willen vernederen en neerhalen.
• Je moet pijnigen, je moet stoken.
• Altijd een ander in de gaten houden om te zien of die het soms beter doet dan zij.
• De gevoelens van de anderen niet waarnemen.
• Uitsluitend vanuit haar eigen wereld en denken handelen. Impulsief handelen zonder enige perceptie van het gezichtspunt van een ander.
• In competitie en oppositie staan met anderen en de beste willen zijn. Zelf willen winnen en de ander naar beneden willen drukken.
• Anderen willen kapotmaken en vernietigen.
• Niet geven om anderen.
• Anderen haten.
• Willen bevestigd worden. Het centrum willen zijn.
• Vals gedrag, doen alsof, de waarheid verbergen.
• Onbeschaamd antwoorden.
• Je moet je laten gelden, je moet jezelf naar voor brengen.
• Laat je opmerken.
• Kom er tussenin, dring je op.
• Je moet de vrede verstoren.
.
.
Patronen voor veelvuldige ruzies met haar broer
• Er is een voortdurende toestand van oorlog.
• Je kunt je broer niet verdragen, je moet hem pesten.
• Je ergert je dood aan je broer, je moet hem niet. Hoe kun je hem pijnigen?
• Je moet hem treiteren (een dwang om te treiteren).
• Hij is een grote nul.
• Alleen als je hem pest, kun je je beter voelen over hem. Alleen als je hem kunt treiteren, kun je hem aanvaarden.
• Je moet hem kwetsen. Zo heeft hij verdriet en voel je je beter.
.
.
Patronen om steeds overal de schuld van krijgen
• Mensen nemen je dingen kwalijk waar je niet verantwoordelijk voor bent.
• Het is altijd jouw fout.
• Ze denken dat jij het gedaan hebt.
• Je kunt je niet verdedigen.
• Door het aannemen van een agressieve houding, stel je je als de schuldige op, ook al ben je onschuldig.
• Ze nemen het jou kwalijk en een ander gaat vrijuit.
• Jij wordt aangewezen als de schuldige.
• Je mag niets mispeuteren of het wordt gedramatiseerd (door de anderen) en er wordt een overdreven straf tegenover gezet.
• De ander maakt zich uit de voeten, en jij blijft perplex achter, en jij wordt als schuldige bestempeld.
.
.
Patronen om weinig waardering te krijgen van meerderen
• Jij hebt geen waarde.
• ‘Je doet je werk niet goed. Ze vinden dat het niet voldoende is. Je doet je werk ondermaats.’ Dit patroon zorgt ervoor dat een ander een negatieve mening heeft over zijn werk, ook al doet hij zijn werk goed.
• Ze willen alle lof naar zich toehalen, ze willen zelf belangrijk zijn. Daarom zullen ze jou geen lof toezwaaien, daarom zullen ze jou geen complimentjes geven.
• Ze willen de anderen neerdrukken en zichzelf in de schijnwerpers werken.
• Je krijgt geen waardering, je bent niet belangrijk. Je bent maar een onbenulletje voor hen.
• Ze zullen jou niet prijzen, ze gunnen jou dat niet. Zij willen zelf geprezen worden.
• Ze gunnen het jou niet dat je succesvol bent. Ze zullen je neerhalen om je gevoel van eigenwaarde te breken, zodat je alle ambitie verliest om hogerop te geraken, zodat zij hogerop geraken.
• Je staat onder hen. Ze achten jou niet, je bent maar een niemendal.
• Hoe hoger ze op de ladder staan, hoe meer ze jou misprijzen. Hoe hoger ze op de ladder staan, hoe meer angst je voor hen hebt.
