Tijs, een 11-jarige autistische jongen met een laag normale begaafdheid.
Patronen
Patronen voor gebrekkig sociaal contact
• Je kunt niet loskomen van jezelf.
• Er is niemand anders dan jezelf, je bent alleen jezelf.
• Je houdt
niet van anderen.
• Je wilt weg van de anderen.
• Sluit je af, draai je om (dicteert wat hij moet doen als iemand hem aanspreekt).
• Luister niet (als iemand hem aanspreekt).
• Hoor niets (als iemand hem aanspreekt).
• Je moet niet luisteren.
• Je hoort niet, je voelt niet (zorgt ervoor dat hij anderen niet opmerkt of dat hij het niet merkt als ze tegen hem spreken).
• Hij zit totaal in zijn eigen wereldje en trekt zich van de wereld en de anderen terug, daar is het gezellig en veilig. In die wereld is het heel prettig, zonder het contact met de anderen. Hij wil met niemand iets te maken hebben, hij wil geen contact met anderen, hij is heel graag op zijn eentje. Op zijn eentje is het heel prettig, zonder de last en het gezaag van de anderen, weg van al die vervelende anderen. Hij voelt zich bijzonder gelukkig en vredig als alle contact met de wereld is afgesloten en als hij zich gezellig kan terugtrekken in zijn wereldje.
• Contact als onaangenaam aanvoelen, contact met anderen willen mijden, willen afgesloten zijn.
• Je wilt met niemand iets te maken hebben. Sluit je af, trek je terug. Je bent zo goed en veilig in jezelf. Zo is alles toch zo goed, zo is er geen enkel gevaar.
• Zich onwennig en angstig voelen bij contact met mensen, niet goed weten wat te doen bij contact met mensen. Zich terugtrekken is de oplossing want dan voelt hij zich veilig.
• Je voelt je verloren tussen mensen. De oplossing is je terugtrekken in jezelf, je afsluiten van de wereld en versmelten met jezelf. Dan ben je veilig, dan is er geen gevaar.
• Angst voor mensen.
• Hij zal nooit naar iemand toe gaan, die gedachte komt niet in hem op. Hij blijft daar gewoon staan wachten. Het komt niet in hem op om contact te leggen. Integendeel, hij voelt een sterke neiging om zich terug te trekken. Hij heeft het niet graag dat een ander contact zoekt. Hij blijft daar liever gewoon zo staan, dan voelt hij zich het best.
• Sterk met zichzelf bezig zijn, sterk met zijn eigen interesses bezig zijn, heel erg op zichzelf gericht zijn. Weinig interesse voor een ander, voor niemand interesse behalve voor zichzelf (= egoïsme).
• ‘Je kan het niet horen’ (wat iemand zegt). Hij ziet de mensen praten maar hij kan het niet begrijpen. Het is alsof er een muur staat tussen hem en de ander, een muur die de woorden ondoordringbaar maakt. Hij voelt een enorme afgrond tussen hem en de ander als een ander spreekt. Hij voelt zich daardoor uiterst verloren en angstig. De oplossing is zich afsluiten van de wereld en zich in zichzelf terugtrekken. Daarom lijkt het voor een ander alsof hij niet luistert en krijgt de ander het gevoel dat hij onbereikbaar is.
• Voelen dat hij iets zou willen zeggen en contact zou willen nemen, maar niet weten wat zeggen. Er komen geen gedachtes om iets te zeggen. Zich daardoor verloren voelen en zich terugtrekken.
• Angst voor contact met mensen, schaamte omdat hij niet weet wat zeggen. Zich daardoor verloren voelen bij mensen en daarom mensen mijden, zeker als hij ze niet kent.
• ‘Je begrijpt niet wat een ander zegt, het is toch allemaal zo onduidelijk’. Daardoor angst voor contact met mensen, daardoor zich afsluiten van mensen. In een onbereikbaarheid voor contact overgaan om zich te beschermen, in een trance overgaan en niet meer bereikbaar zijn voor anderen als hij aangesproken wordt.
• Je moet aandacht krijgen, zo niet besta je niet.
• Het gevoel hebben geen contact te kunnen leggen en zich daardoor heel hulpeloos voelen. De oplossing is ruw gedrag, bv iemand duwen om toch maar contact met iemand te kunnen maken, om toch maar niet helemaal afgesloten te zijn van de anderen.
• Zich heel eenzaam voelen omdat hij geen contact kan leggen en daardoor dolle dingen doen om de aandacht te trekken. Uit angst om geen aandacht te krijgen en uit angst om niet opgemerkt te worden door anderen ontstaat een obsessie om aandacht te krijgen. Aandacht krijgen is de enige manier om uit het afgesloten zijn van anderen te ontsnappen. Als hij dolle dingen doet, wordt hij gestraft, zijn de anderen boos en krijgt hij aandacht en dan is hij minder alleen. Als iemand boos is, is zijn of haar aandacht op hem gericht en voelt hij zich minder alleen, voelt hij een contact met anderen dat er anders niet is, kan hij even ontsnappen aan het afgesloten zijn van anderen. De dolle dingen die hij doet, zoals onder de tafel kruipen, met dingen van de kinderen gooien, … zijn vastgelegd in het patroon.
• Er is geen contact met anderen, je bent afgesloten. Je kunt je niet uitdrukken, je kunt niet zeggen wat je wilt zeggen. Je kunt niet begrijpen wat ze zeggen, je kunt niet communiceren.
• Je kunt geen contact leggen, je weet niet hoe dat moet.
• Er zijn geen gedachten.
• Je vindt de woorden niet.
• Je kunt je niet uiten, je kunt niet zeggen wat je voelt en denkt.
• Hij zou zich willen uitdrukken maar de woorden komen niet over zijn lippen.
• Je kunt geen woorden horen, je kan geen taal begrijpen, het dringt niet tot je door.
• Er is geen taal, er zijn geen woorden. Je mag niets zeggen, je kunt niet spreken.
• Er is geen communicatie, er is afstand. Iedereen leeft op zichzelf, er is geen mentale verbinding met anderen. De draad van contact is doorgeknipt.
• Als iemand tegen hem spreekt, gaat hij in een soort trance over. Hij verschuift naar een wereld waar hij het niet kan horen wat gezegd wordt, waar hij in zichzelf zit. Hij kan niet luisteren, hij kan geen aandacht hebben als een ander spreekt. Hij verschuift naar afwezigheid van de wereld.
• Je kunt alleen jezelf begrijpen. Je kunt niet begrijpen wat een ander voelt.
• Je kunt niet begrijpen wat een ander denkt.
• Je kunt de wereld van de ander niet begrijpen.
• Je kunt geen gezichtsuitdrukking begrijpen. (Dit zorgt ervoor dat hij op een onverwachte manier reageert, zoals glimlachen als iemand boos is).
• Je voelt geen contact met anderen. Je zit in je eigen wereld, je bent vastgemaakt aan jezelf.
• Wat een ander zegt is onbegrijpelijk, het dringt niet tot je door. Je kunt niet antwoorden.
• Je kunt je niet verdedigen, je weet niet hoe dat moet. Hierbij zit een beeld van verloren te staan wachten.
• Zich alleen voelen, zich op een grote afstand van de anderen voelen. Daar blijven staan, geen contact kunnen leggen.
• Als hij iets wil vragen, kan hij dit niet. Een angst overweldigt hem. Een gevoel van hulpeloosheid en het niet te weten hoe dit te doen (iets vragen) overweldigt hem, en hij blijft als verlamd staan.
• Hij zit diep in zijn eigen wereld, hij zit diep in zichzelf gekeerd. Hij is afgesloten van de wereld en van de anderen. De anderen interesseren hem niet. Wat er met een ander gebeurt, interesseert hem niet. Wat een ander voelt, interesseert hem niet. Het enige wat hij kent en voelt, is zichzelf. Hij is aan zichzelf vastgeplakt.
• Hij gaat over naar zijn eigen wereldje en wat een ander tegen hem zegt dringt niet door. Het glijdt over hem heen, hij hoort het niet en hij begrijpt het niet. Alleen zijn eigen denken en doen interesseren hem nog. Daarbuiten is er niets dat hem nog raakt.
• Hij is bang voor ogen, hij kan iemand niet in de ogen kijken. Hij heeft angst voor mensen, hij voelt zich niet op zijn gemak bij mensen en mijdt daarom oogcontact. Hij voelt zich niet op zijn gemak bij oogcontact: het is alsof ze de waarheid in hem kunnen zien bij oogcontact. Hij wil zich verbergen.
• Je bent opgesloten. (Dit betekent: hij is opgesloten in zichzelf).
• Een grote groep is heel verwarrend. Hij gaat verloren in de groep, het is alsof de groep één geheel wordt en hij niet meer bestaat. Hij weet niet meer hoe zich te gedragen. Hij gaat over zijn hoofd wrijven, hij gaat in zijn haar wrijven, hij staat als verlamd, of hij gaat rondkruipen als een dier.
.
.
Patronen voor een lage frustratiedrempel
• Je moet je zin krijgen, het moet zijn zoals jij het wilt. Zo niet is er frustratie en gaat hij hevig stampen en slaan en is er woede.
• Hij zit in zijn eigen wereldje waar hij met zijn eigen dingen bezig is en hij gaat daar totaal op in. Hij is daar totaal mee versmolten. Voor hem is er alleen nog dat en de rest van de wereld bestaat niet meer. Een onderbreking is heel erg onverwacht en creëert een hevig gevoel van onevenwicht en frustratie.
• Een beeld van een gekozen pad dat hij intens volgt, waar hij mee versmelt. Als hij met iets bezig is, versmelt hij met die activiteit. Eruit losgerukt worden is ondraaglijk. Vandaar een hevige reactie van wenen en ontsteltenis en woede als hij iets moet onderbreken.
• Je gaat totaal op in je spel, je versmelt ermee. Je wordt één met het spel, je wordt het spel. Een onderbreking is alsof je zelf gebroken wordt, het is een aanval op jezelf. Je kan dat niet begrijpen, je kan je er zomaar niet van losrukken. Daarbij zit ook een gevoel van enorme woede.
• Je wordt gestoord, hierbij zit een overweldigend gevoel van woede en onmacht.
• Alles raakt, alles is frustrerend.
• Elke onregelmatigheid is frustratie. Als er iets niet doorgaat, als er iets onverwachts afbreekt voel je een enorme frustratie. Het gevoel van de frustratie is ook in het patroon aanwezig.
• Je kunt het niet verdragen dat er iets afbreekt, iets (een actie) moet aaneen gesloten zijn. Een actie mag niet voortijdig stoppen, een actie moet het beginpunt en het normale eindpunt hebben. Een actie die afbreekt of onderbroken wordt, veroorzaakt een ondraaglijk gevoel van frustratie. Alleen door te roepen en te slaan en te stampen kan dit ondraaglijke onaangename gevoel verlicht worden. Door te schreeuwen en te slaan en te stampen verdwijnt het zeer onaangename gevoel geleidelijk aan.
• Een gevoel van frustratie laten merken door klagend te spreken of tegen te spreken. Een intens gevoel van zelfmedelijden en van verdriet.
• Het mag alleen zó en op geen enkele andere manier. Door dit patroon heeft Tijs altijd een zekere verwachting van hoe de dingen zullen lopen en houdt hij geen rekening met een andere mogelijkheid. In zijn geest is er maar één weg en die weg is een vanzelfsprekend iets. Als er iets op een andere manier verloopt, is dat zó onverwacht en ondraaglijk dat hij een hevige frustratie voelt die hij uit door woedend te worden.
• Je kunt over niets heenstappen, d.w.z. je kunt je niet aanpassen. Als dit niet zo kan verlopen, voelt hij zich ellendig.
• Er mag niets veranderen, alles moet blijven. Niets mag variëren, het moet steeds hetzelfde blijven, zo niet is er frustratie.
• Het niet aankunnen dat er iets verandert. Een verandering van een gegeven lijn of een gekozen pad is onbegrijpelijk en bijzonder traumatisch en frustrerend. Het is vanzelfsprekend dat alles blijft zoals het is, het is onnatuurlijk dat er iets verandert. Hierbij zit de zin ‘waarom moet het zó?’ (wat hij ook letterlijk zegt als er iets anders moet dan hoe hij het denkt).
• Je voelt je ellendig als iets tegengaat, je voelt een grote frustratie.
.
.
Patronen voor storend gedrag in de klas
• Een patroon met de volgende beelden: een struisvogel die geagiteerd rondloopt en die geluiden maakt, een slang die over de grond kruipt en die sist, een uil die met de vleugels fladdert en geluiden maakt, een haas die huppelt, een dier dat eten steelt uit het hol van een ander en vecht als het ander dier het eten terug wil krijgen, een haan die kraait enz. Als dit patroon actief is, dan verschuift Tijs naar de persoonlijkheid van één van de vermelde dieren en vertoont hij een gelijkaardig gedrag als dat van een van deze dieren.
• Een dwang om rond te lopen.
• Een dwang om aandacht te krijgen.
• Een dwang om op te vallen.
• Een dwang om in de belangstelling te staan.
• Een drang om een ander te plagen. Hierbij bevinden zich beelden van hoe het plaaggedrag verloopt, op welke manier hij andere kinderen moet lastig vallen, zoals: duwen, slaan, schoppen, iets in het haar van een ander steken enz.
• In een situatie waarbij de aandacht van de leerkracht niet op hem gericht is, moet hij iets doen om de aandacht te trekken. Dus gaat hij kinderen plagen omdat hij dan berispt wordt en de aandacht van de leerkracht naar zich toetrekt.
• In een situatie waarbij hij stil moet zitten in een groep en moet luisteren naar iemand die vooraan staat, voelt hij zich helemaal verdwijnen in het niets, het is alsof hij niet meer bestaat. Hij voelt zich daarbij niet op zijn gemak, hij wordt overspoeld met ‘angst voor verdwijnen’ (niet meer bestaan). Hij wil daaruit ontsnappen, hij wil dat niet voelen. De enige mogelijkheid om eruit te ontsnappen is door te zorgen dat hij voortdurend los is van de groep door een ander gedrag te manifesteren dan stil te zitten in de groep en te luisteren naar iemand vooraan. De verschillende types gedrag zoals rondlopen, op de bank gaan staan, aan een ander zijn haar trekken, roepen, met de lat slaan of gooien enz. zijn geprogrammeerd in het patroon.
• Hij moet bewegen. Hij kan en mag niet stilzitten. Hij moet in actie zijn.
• Als er iets verandert (een overgang naar een andere activiteit) is dat frustrerend en verrassend voor hem, want in zijn denken blijft een actie die begonnen is duren. Ook al heeft hij de verandering al eerder meegemaakt, voor hem is het alsof het nog nooit gebeurd is. Hij wil de actie blijven verder zetten. Dus zal hij een moeilijk gedrag manifesteren, zal hij tegenwerken om zijn zin te krijgen.
• Je kunt de wereld rondom jou niet begrijpen. Je weet niet hoe het moet, je zit in je wereldje en je doet wat in je opkomt (bv. op de bank gaan staan, een ander kind duwen, met de lat op een ander slaan, opstaan en rondlopen …).
.
.
Patronen om aan routines vast te houden en steeds iets op dezelfde manier te doen
• Zie voorbeelden i.v.m. verandering bij patronen voor frustratie.
• Hij weet totaal niet wat hij moet doen met iets wat nieuw is. Hij kan zich niet beroepen op wat hij al kent uit het verleden want hij is daar mentaal totaal van afgesloten. Er is geen associatie met informatie die zich in zijn hersenen bevindt over situaties van vroeger. Alles lijkt helemaal nieuw. Hij kan dingen die hij al geleerd heeft niet gebruiken om deze situatie op te vangen omdat er geen toegang is tot deze dingen in de hersenen. Dus staat hij daar verloren en weet hij niet wat te doen.
• Als iets zich de eerste keer voordoet, wordt het patroon van hoe het de eerste keer gebeurt in zijn hersenen gebrand, en daarna kan het nooit meer veranderen of variëren. Vandaar dat een spel nadat het de eerste keer op een zekere manier gespeeld is, nooit meer kan veranderen. Hij kan ook geen spelinzicht opbouwen want elke nieuwe stap is iets nieuws en bij iets nieuws kan hij zich niet beroepen op wat hij al kent omdat er geen info uit de hersenen naar boven komt, hij kan dus niets opbouwen.
• Het moet steeds zo blijven zoals het de eerste keer was, het is heel frustrerend om daar vanaf te stappen want Tijs voelt dat aan als tegennatuurlijk. Zoals het de eerste keer was, zo zit het in zijn hoofd. Een aanpassing of variatie van hoe het in zijn hoofd zit, voelt hij als tegennatuurlijk aan.
.
.
Patronen voor ‘alles moet lopen zoals hij het in zijn hoofd heeft’, hij zit op zijn eigen spoor
• Je mag je niet aanpassen, je moet het doen zoals jij het wilt. Jij denkt het zó en zo moet het ook. Het mag niet op een andere manier. Er is geen andere weg. Zó hoort het.
• Luister niet naar de anderen. Zij weten het niet, jij weet het. Wijk daar niet van af, wijk niet af van wat jij denkt. Wat jij voelt is juist.
• Hij kan alleen iets beschouwen vanuit zijn eigen gezichtspunt. Hij kan geen enkel ander gezichtspunt begrijpen. Hij beseft ook niet dat er andere gezichtspunten mogelijk zijn.
• Hij kan niet loskomen van iets wat hij in zijn hoofd heeft. Als hij iets op een zekere manier denkt, dan blijft hij daaraan vasthouden en geen enkele inbreng van buitenaf zal daar iets aan veranderen.
• Je moet vasthouden aan wat je denkt, je moet vasthouden aan wat je voelt. Je moet vasthouden aan hoe jij het ziet. Zo is het juist.
• Het kan op geen enkele andere manier. Het kan alleen zó.
.
.
Patronen om heel snel afgeleid te zijn, om zich niet op iets te kunnen concentreren
• Je zit steeds in gedachten, je bent steeds met iets bezig, je kunt je daar niet van losmaken. Wat buiten jou gebeurt, interesseert jou niet. Je wilt niet luisteren naar de ander, je wilt niet doen wat de ander wilt. Wat jou bezighoudt, is je ganse wereld. Daar is al jouw interesse, daar denk je aan. Je bent in niets anders geïnteresseerd.
• Je moet niet luisteren naar wat de ander zegt, dat is niet belangrijk (hij trekt zich helemaal terug in zichzelf als iemand een verhaaltje vertelt).
• Je denkt aan iets anders, je moet aan iets anders denken. Een dwang om aan iets anders te denken (iets anders dan het onderwerp waar hij zou moeten aan denken). Een dwang om iets anders te doen (iets anders dan wat hij zou moeten doen).
• Het interesseert jou allemaal niet. Het laat je allemaal onverschillig, het is niet belangrijk.
• Je kunt niet focussen. Je kunt niet met je aandacht bij iets blijven. Je aandacht glijdt naar iets anders.
• Je luistert niet.
• Het andere is interessanter.
• Een dwang om steeds te denken. Hij kan niet met zijn gedachten bij iets blijven.
• Je kunt niet luisteren, je moet aan iets anders denken.
• Je kunt je niet concentreren. Je bent altijd afgeleid. Je kan er niet met je aandacht bij blijven.
• Je kunt niet luisteren, je bent afgeleid, je moet iets anders doen. In dit patroon zitten ook beelden van rondlopen, anderen plagen, de boel op stelten zetten.
• Er is een afwijking in de samenstelling van het hersenvocht waardoor er geen normale geleiding is en als gevolg daarvan kan hij zich niet op iets concentreren.
.
.
Patronen om zeer detailgericht te zijn en niet van een detail te kunnen loskomen
• Hij ziet het geheel niet. Hij pikt er één deeltje uit, hij kan slechts met één deeltje van een geheel werken en hij blijft daar dan ook aan vasthouden. Het is moeilijk om dat detail los te laten. Als hij het al kan loslaten, zal hij zich weer richten op een volgend detail. Hij kan enkel stap voor stap iets verwerken en hij houdt lang vast aan elke stap.
• Hij kan zich geen geheel voorstellen. Hij kan zich telkens maar richten op een deeltje van het geheel waar hij op dat moment mee bezig is. Als hij bijvoorbeeld een tekening inkleurt, dan ziet hij niet gans de tekening, maar alleen het deeltje dat hij kleurt.
• Als hij met iets geconfronteerd wordt, pikt hij er automatisch één iets uit en dan wordt zijn aandacht daaraan geplakt. Hij kan alles wat zich daarrond bevindt niet meer waarnemen.
• Bij het opruimen van speelgoed kan hij de volgorde niet onthouden. Hij kan het geheel niet rangschikken in zijn geest. Hij kan enkel alle stukken apart beschouwen. Hij kan ze niet in een volgorde aaneenrijgen.
;
;
Patronen om niet met anderen te willen delen
• Hij kan iets niet loslaten. Hij heeft het in zijn hoofd geprent dat iets hem toebehoort en dat kan nu nog alleen zo verder gaan. Er is geen mogelijkheid tot verandering.
• Zodra hij iets verkrijgt, behoort dat hem toe. Hij kan geen enkele andere mogelijkheid meer overwegen.
• Hij kan het gevoel van een ander totaal niet begrijpen. Hij kan alleen zijn eigen gevoel begrijpen, en zijn gevoel is dat iets hem toebehoort. Hij bezit geen enkele mogelijkheid om zich te verplaatsen in een ander en te kunnen beseffen dat een ander ook graag iets heeft. Er is een totaal ontbreken van empathie. Hij kent uitsluitend zijn eigen gevoel en denken en hij zit daaraan vast. Er is maar die ene werkelijkheid: wat hij zelf wil. Een andere werkelijkheid bestaat niet voor hem.
.
.
Patronen voor dominantie naar zijn broer toe
• Hij wil zijn wil opleggen aan anderen. Hij kan het niet confronteren dat er iets niet zou gaan zoals hij het zou willen. Daarom moet de ander doen wat hij wil, er is geen andere weg. Indien dit niet mogelijk is (bij andere kinderen dan zijn broer) zal hij zich afsluiten van anderen.
• Hij kan niet loskomen van zijn eigen denken. In zijn geest ligt het vast hoe iets moet verlopen. Hij stelt vast dat een ander de dingen anders wil aanpakken, maar dat kan hij niet hebben. Daarom moet een ander de dingen doen zoals hij het wil. Als die ander dat niet doet, zal hij die ander slaan om hem tot gehoorzaamheid te dwingen.
Patronen om het gedrag van anderen te imiteren
• Zich heel onzeker voelen. Niet weten hoe iets moet. Zich alleen voelen, zich niet omringd voelen met steun. En dan ziet hij een voorbeeld van hoe iemand iets doet, en dan voelt hij steun. Als hij het gedrag na-aapt, voelt hij zich niet meer alleen, is hij versmolten met de ander.
• Je moet doen wat een ander doet. Dan ben je juist.
• Een ander weet hoe het moet. Volg de ander, dan kun je niet mislukken.
Patronen voor perfectionisme
• Het zit in zijn hoofd hoe iets moet gebeuren, tot in het kleinste detail. Zo moeten bijvoorbeeld alle lettertjes mooi op een rij geschreven zijn. Het kan alleen zó uitgevoerd worden, er kan geen enkele afwijking zijn.
• Hij kan zichzelf niet toestaan fouten te maken. Dit is bijzonder frustrerend omdat het dan afwijkt van wat hij zich vooropgesteld had, van het idee dat hij zich in het hoofd gevormd had, van hoe het had moeten gebeuren.
.
.
Patronen om alleen iets te kunnen eten als het in zijn geheel is
• Niets mag breken, niets mag afbreken, alles moet heel zijn. Er is een sterke dwang dat dit zo moet zijn. Als dit niet kan, wordt een patroon met gevoelens van hevige frustratie geactiveerd.
.
.
Patronen om voedsel naast elkaar te rangschikken
• Verschillende zaken moeten altijd naast elkaar liggen. Niets mag boven of onder iets anders liggen. Het kan alleen zo, dit is de enige manier.
.
.
Patronen voor een klagende houding
• Een patroon dat hem die klagende houding oplegt is chronisch actief. Het patroon bevat zijn manier van klagen en de woorden die hij zegt als hij klaagt.
.
.
Patronen om geluiden te maken en gezichten te trekken
• Je moet geluiden maken. Ook het soort geluiden en het ritme waarop dit gebeurt en de dwang om deze geluiden te produceren bevinden zich in dit patroon.
• Je bent verdoofd, je bent niet aanwezig. Tijs schuift in dit patroon zodra zijn aandacht niet op iets staat. Dit activeert een tweede patroon: Tijs gaat over in een toestand van mentale verdoving, in een bewustzijnstoestand van automatisme, en hij gaat geluiden maken en gezichten trekken zonder dat hij zich daarvan bewust is. Het soort geluiden en de soort gezichten zijn vastgelegd in het patroon.
• Een patroon met ‘waw, waw, waw …’. Als dit patroon geactiveerd wordt, herhaalt hij dat woord onophoudelijk.
• Hij gaat over in een trance, hij gaat over naar zijn wereldje. Hij glijdt naar een mentale toestand van verdoving, naar een innerlijke wereld die is afgesloten is van de buitenwereld en dan ontstaat het automatisme om geluiden te maken: knorren, krijsen, grommen, zoals een dier dat zich diep in zijn hol terugtrekt en in zijn innerlijke wereldje wegglijdt en dezelfde geluiden maakt.
• Als hij een zekere klank hoort, kan een patroon geactiveerd worden waardoor hij die klank onophoudelijk gaat nabootsen of herhalen.
.
.
Patronen om veel weg en weer te lopen en om achter andere kinderen aan te rennen
• Een dwang om te bewegen, om niet te kunnen stilstaan. Er moet iets te doen zijn. Het niet kunnen verdragen dat er niets te doen is. Hij moet bewegen, hij moet lopen.
• Een patroon met een beeld van wat hij doet op de speelplaats: met krijt tekenen op de grond of achter de andere kinderen aanrennen.
.
.
Patronen voor een afkeer voor klei, om het niet te willen aanraken
• Wat nieuw is, is gevaarlijk.
• Je kent het niet, hou het op afstand.
• Ga er niet mee om, het kan gevaarlijk zijn.
.
.
Patronen voor ongehoorzaamheid
• Bij een bevel van buitenaf (= iets wat hij zelf niet kiest) verzet hij zich met alle macht tegen wat hij moet doen. In het patroon zit letterlijk de zin ‘maar neen, ik doe dat niet, ik moet het altijd doen!’ (Tijs zegt dit letterlijk als hij iets moet doen).
• Je moet dingen doen die je niet moet doen. Je moet het anders doen dan gewenst.
• Je moet aandacht krijgen, je moet dwarsliggen.
• Je mag niet meewerken. Je mag een ander niet plezieren. Je moet dwarsliggen.
• Je mag het niet doen zoals een ander het wil.
• Als hij zijn gedachten op iets heeft, als een bezigheid hem heel erg interesseert, dan is zijn aandacht daar voor 100% op gericht. Er is geen 1% aandacht vrij voor de perceptie van andere zaken. Hij is versmolten met de bezigheid. Als iemand hem dan iets zegt of hem vraagt iets te doen, hoort hij het niet (dit lijkt dan ongehoorzaamheid).
.
.
Patronen voor echolalie en echopraxie
• Je moet klanken nabootsen.
• Je moet handelingen (van een ander) herhalen.
• Je moet het nabootsen (geluid en actie).
.
.
Patronen om urenlang met krijt te tekenen
• Je zult tekenen met krijt. Wat hij tekent, zit in beeldvorm vervat in het patroon. Eens hij eraan begint, gaat hij over in een automatisme van urenlang te tekenen met krijt. Hij gaat er heel diep in en is mentaal weg van de wereld. Hij is een machine geworden die tekent op bevel van het patroon.
.
.
Patronen om cijfers en pijlen te tekenen
• Hij gaat over in een trance, in een automatisme. Hij heeft niet zijn aandacht bij wat er in de omgeving gebeurt, en hij tekent maar verder. Wat hij tekent zit in het patroon.
.
.
Patronen voor een interesse in liften
• Wat op en neer gaat, is bijzonder fascinerend. Tijs wordt ernaar gezogen, is geobsedeerd om erbij te zijn.
.
.
Patronen om als een vogel te fladderen
• Een patroon met dit beeld: rechtstaan en de armen wijd spreiden en op en neer gaande bewegingen maken. Dit patroon wordt geactiveerd als hij wil opvallen doordat een ander patroon actief is: Je krijgt geen aandacht meer. Je moet nochtans aandacht krijgen. Zo niet besta je niet. Zorg dat je opvalt. Zo wordt je niet vergeten, zo verga je niet.
.
.
Patronen om intens van voedsel te genieten en om helemaal op te gaan in het proces van het eten
• Als hij eet, trekt hij zich helemaal terug uit de werkelijkheid. Alle contact met de wereld is afgesloten. Hij is intens geconcentreerd op het eten. Er bestaat nog slechts één ding, namelijk het eten. Hij is ermee versmolten.
.
.
Patronen voor een probleem i.v.m. tijd
• Een patroon met een beeld van iemand die met een activiteit bezig is en daar helemaal in opgaat. Iemand die mentaal totaal afgesloten is van de buitenwereld, en niets hoort of ziet van wat rond hem gebeurt. Er is alleen de activiteit, er is een versmelting met de activiteit. Onbewust is het genoemde uur waarop iets moet gebeuren wel binnengedrongen. Heel kort vóór het tijd is voor iets komt Tijs los uit de intense versmelting met de activiteit. Hij realiseert zich dat hij op tijd moet zijn voor iets en hij wordt overweldigd door een hevig gevoel van paniek. Er is ook het gevoel dat dit de eerste keer is dat dit gebeurt. Het uur waarop iets moet klaar zijn, komt in de vorm van een bedreigend beeld van een reuzengroot blok voor hem te staan, als een boosaardig iets dat hem zal grijpen als hij niet op tijd is. En in een poging om dat beeld op afstand te houden roept hij: ‘altijd die tijd, die tijd is verkeerd, die tijd loopt te snel, ik wil dat niet’. Dit gaat gepaard met hevig stampen, woede, enz. om het beeld op afstand te houden.
.
.
Patronen om niet te kunnen verliezen bij een kaartspel en om de eerste in de school of in een rij te willen zijn
• Je mag in niets verliezen. Je moet altijd de eerste zijn, je moet altijd vooraan staan. Niemand mag je voorbijsteken, niemand mag je overtroeven.
• Je moet de ander overtroeven, je moet er als eerste er zijn, je moet als eerste aankomen.
• Je moet de beste zijn.
• Je moet eerst zijn.
• Je moet winnen. In dit patroon zit ook een sterk gevoel van dwang.
.
.
Patronen om in de klas onder de planken te gaan liggen
• Als er veel volk is, moet je je afzonderen. Je moet dan een plekje voor jou alleen vinden, waar niemand je kan zien. Zorg voor een scheiding tussen jezelf en de rest.
.
.
Patronen om ‘s nachts schreeuwend wakker te worden
• Er wordt ‘s nachts een patroon geactiveerd met de volgende inhoud: Tijs gaat binnen in een hol, hij wordt in een razende vaart en in een beweging als van een draaikolk door een diepe gang naar beneden gesleurd en daar wachten hem marteltuigen en wilde dieren. Er ontstaat een geweldige angst en die doet hem wakker schieten. Aangezien hij door de andere patronen (die ervoor zorgen dat hij niet kan loskomen van iets) niet merkt dat zijn moeder in de kamer komt en dat er geen gevaar is, blijft de bizarre toestand nog een tijd duren. Hij gaat op het bed staan als hij losser komt van de angst en hij zich bevrijd voelt uit het hol en zich erbuiten waant.
(wat mensen dromen komt voort uit de patronen en komt niet voort uit gegevens in de hersenen)
.
.
Patronen om slecht te zijn in sport
• Een patroon dat de energieën die zorgen voor controle over het lichaam onderdrukt waardoor er weinig voeling is met het eigen lichaam en Tijs weinig controle heeft over zijn lichaam.
..
Energieën
Gevoel voor muziek
. Er is een energie die verantwoordelijk is voor zeer fijn horen, voor het horen van zeer fijne tonen. Deze energie zorgt ervoor dat hij een enorme gevoeligheid heeft voor het allerkleinste verschil in toon. Deze energie geeft een impuls aan de hersenen, zodat verfijnde zenuwbanen gecreëerd worden voor het bevorderen van het gehoor.
. Een energie van sereniteit, diepe rust en kalmte. Een geluksgevoel in aanwezigheid van sommige geluidsgolven
. De energie ‘muziek’. Het geheel van tonen, het creëren van tonen, het versmelten van tonen tot een harmonisch geheel
. Er is een deelziel die muziek kan creëren, die de kwaliteit ‘muziek’ is en bezit en die tonen harmonisch samenbrengt.
.
.
Gevoel voor ritme en dans
. Er is een energie die het lichaam van Tijs leidt bij het dansen, die zorgt voor vloeiende bewegingen in overeenstemming met de muziek.
Een energie die de tonen van de muziek opvangt en die het lichaam in harmonie ermee laat bewegen.
. Een deelziel heeft controle over zijn lichaam en laat het lichaam in harmonie met de tonen van de muziek bewegen.
. Een deelziel bezit een repertorium van dansen en leidt Tijs tijdens het dansen.
.
.
Bijzondere interesse voor getallen en aanleg voor rekenen
. Er is een energie die de intelligentie voor die soort kennis in zich draagt.
. Een energie die het gamma van rekenkundige bewerkingen met hun uitkomsten bezit. Tijs hoeft maar te putten uit de voorraad. Daardoor hoeft hij eigenlijk niet te redeneren. Hij krijgt de kennis gewoon door, hij weet het gewoon.
. Een deelziel ondersteunt de hersenen bij het uitvoeren van rekenkundige bewerkingen. Deze voegt een energie aan de hersenen toe waardoor hersenweefsel gevoed wordt en waardoor scheikundige bewerkingen in de hersenen sneller verlopen.
. Een deelziel die kennis en controle heeft over de scheikundige bewerkingen in de hersenen, en scheikundige processen stuurt.
. Een deelziel rekent en voert bewerkingen uit, ze bezit de kennis van de wiskunde. Tijs krijgt de oplossing gewoon door, hij weet het gewoon, hij hoeft niet te redeneren.


