Tekst over SKEPP-goeroe Professor Emeritus Dr Wim Betz door de Europese Federatie van Artsenverenigingen voor het Therapeutisch Pluralisme’ (ECPM)
Onderstaande tekst is te vinden op volgende link:
http://www.a-i-g.be/content/over_aig/vandaag.htm
55000 EU-artsen zeggen neen tegen Betz en SKEPPEuropese Federatie van Artsenverenigingen voor het Therapeutisch Pluralisme’ (ECPM)
Het aperitiefconcert op de trappen van ons Gents Blandijn-auditorium, waarbij een aantal SKEPP-leden de voorkeur gaven aan een flesje homeopathische verdunning boven een frisse pinot-charente of een glaasje sekt werd door weldenkend Vlaanderen nogal skepp-tisch onthaald: wat had dit nog met wetenschap te maken!
Na zijn VTM-debat met Liga-homeopatica-voorzitter Dr. Michel Van Wassenhoven (in wiens tussenkomsten overigens duchtig werd geschrapt) werd het een tijdje stil rond
SKEPP-goeroe Prof. Dr. Wim BETZ.
Vandaag is hij terug van weg geweest.
Bijna dagelijks komen we zijn interventies tegen:
niet alleen in de medische pers, eveneens in
uiteenlopende kranten en weekbladen.
De inhoud van de boodschap is steeds
dezelfde : alternatieve artsen zijn
onwetenschappelijk, leugenaars,
bedriegers, kortom misdadigers.
De grondredenering die achter al de aanvallen van Prof. Betz zit berust op een tweetal silogismen.
1. Hij vertrekt van de premisse dat de natuurgeneeswijzen fout zitten en niet bewezen zijn. Dus – concludeert hij –mogen ze niet erkend, noch minder terugbetaald worden. En in één beweging voegt hij er aan toe : wanneer er iets misloopt dan is dit misdadig.
2. De traditionele academische geneeskunde is juist en bewezen. Zij moet dus vergoed worden en wanneer er een nevenwerking of een ongeval optreedt is dit verschoonbaar, want het gevolg van een lege artis uitgevoerde behandeling.
Laten we dit even kritisch bekijken. Wanneer Betz stelt dat de natuurgeneeswijzen fout zijn, verschiet hij zijn kruit hoofdzakelijk op de homeopathie. Ik ben bereid hem te volgen wanneer hij stelt dat er tot op heden geen dubbelblind onderzoeken zijn die de .effectiviteit van de homeopathie onweerlegbaar bewijzen. Maar hierbij dient onmiddellijk de vraag gesteld of het dubbelblind onderzoek de enige mogelijkheid is om de homeopathie te evalueren. Wanneer Betz dit beweert ligt de bewijslast hiervoor bij hem. De diepgaande discussie hierover laten wij aan de verantwoordelijken van de beroepsverenigingen van klassieke homeopaten. Maar natuurgeneeswijzen zijn meer dan enkel homeopathie. Wij zullen verder aangeven dat voor de effectiviteit van heel wat natuurgeneeswijzen wel doorslaggevende argumenten bestaan. Als de eerste premisse niet juist is, zijn natuurlijk ook de conclusies niet juist.
Nu zijn heel wat auteurs het er over eens dat ook in de klassieke geneeskunde talrijke zaken niet dubbelblind bewezen zijn en gewoon op empirie berusten. Tot een kwarteeuw geleden kon niemand verklaren waarom een aspirine werkte! Maar ook vandaag zijn er heel wat onzekerheden. Dertig jaar gelden doceerde Prof. Piet Desomer ons dat antibiotica geen werking hebben bij virale aandoeningen. Vandaag stellen we verschillen in het voorschrijfgedrag tussen België en Nederland vast, die totaal niet te verklaren zijn door het verschil in morbiditeit. Tweemaal meer antibiotica in België dan in Nederland! Het Ministerie van Volksgezondheid vindt de situatie zo erg dat het campagnes tegen het overdreven antibioticagebruik organiseert, overigens zonder denderend resultaat. Dit betekent een verspilling van middelen – die veel groter is dan het half procentje van het gezondheidsbudget dat naar de alternatieve geneeskunde gaat – en bovendien een toename van de iatrogene opnames. Wetenschappelijk verantwoord?
Wanneer alles zo duidelijk is in de klassieke geneeskunde, waarom moeten er dan zeer geleerde commissies gevormd worden om vast te leggen wat ‘evidence based medicine’ is. Zo evident lijkt het niet! Terloops: bepaalde universiteitsprofessoren, zoals Prof. Dr. med. Karin KRAFT van de universiteit van Rostock wijzen er op dat het ziekteverloop bij chronische aandoeningen sterk individueel bepaald is. Het is medebepaald door genetische factoren , door psychosociale omstandigheden. Bovendien vertonen oudere patiënten veelal een polipathologie. De evidence based medicine dient hier als een leidraad gezien, die door de ervaring van de individuele arts dient gefilterd te worden. KRAFT besluit dat een schematisch toepassen van de EBM-richtlijnen de behandelingskwaliteit van chronisch zieken reduceert, oa. omdat vele natuur- en ervaringsgerichte behandelingen niet in de richtlijnen vermeld zijn. (Der chronisch kranke Patient – Gewinner oder Opfer der Leitlinienmedizin – Med.Woche Baden-Baden, 2003, Referatenband p.73)
Aansluitend kunnen we de vraag stellen of het ervaringsgoed van vele eeuwen en van uiteenlopende culturen zomaar over boord moet gegooid worden, omdat het tot op heden nog niet voldoende wetenschappelijk onderbouwd is, m.a.w. omdat er geen dubbelblindstudies over bestaan.
De Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) is in elk geval een andere mening toegedaan. Vanuit de bekommernis om geneeskunde voor iedereen toegankelijk en betaalbaar te maken – ook in de derde wereld – startte zij grootscheepse onderzoeksprojecten in verschillende landen om na te gaan wat in het eigen medisch erfgoed waardevol is. Longitudinale studies en analyse van uitgebreide casuïstiek spelen hier een belangrijke rol.Ook voor de evaluatie van een aantal westerse alternatieve disciplines is de dubbelblindstudie niet alleen zaligmakend. Afgezien van de hoge kosten, die enkel kunnen verantwoord worden door een latere patentverwerving , zijn sommige geïndividualiseerde behandelingsconcepten er eenvoudig niet toegankelijk voor. Nochtans zijn er heel wat publicaties die wijzen op een effectieve werking van complementaire geneeswijzen. Wij vermelden er slechts enkele, zoadat de geïnteresseerde lezer verder op zoek kan gaan .
In het boek ‘Komplementäre Methodenlehre der klinischen Forschung’ van Helmut KLIENE (Springerverlag,2001) wordt de ‘basis gelegd voor de verdere ontwikkeling van de geneeskunde over de EBM heen als ‘Cogniton-based-medicine. Het boek presenteert wat in de grote blinde vlek van de conventionele methodeleer valt en daarom niet schijnt te bestaan: de methoden van het niet-statistisch bewijs van de therapeutische werkzaamheid aan de individuele patiënt en het daarbij horende systeem van klinisch onderzoek’ (vert).’
Het basisbioregulatiesysteem of Matrix vormt de wetenschappelijke onderbouw van verschillende complementaire behandelingsmethoden. Het wordt exhaustief behandeld in A. PISSCHINGER, H. HEINE . Das System der Grundregulation. Grundlagen für eine ganzheitsbiologische Theorie der Medizin. Het wordt verder uitgewerkt in H. HEINE: Lehrbuch der biologische Medezin, Grundlagen und Systematik (Hippokrates,1991).
Algemene handboeken, die ook op de wetenschappelijke benadering ingaan en voorzien zijn van talrijke referenties zijn K.C. SCHIMMEL (Hrgs) : Lehrbuch der Naturheilverfahren (2 Bdn, Hippokrates) en K. JORK (Hrsg) : Alternativen in der Medizin; Behandlungsformen zwischen Wissenschaft und Empirie. (Hyppokrates, 1993).
We zullen hier geen verdere informatie geven over de vier disciplines die in België een zekere vorm van erkenning genieten: homeopathie, acupunctuur, osteopathie en chiropraxie. Zij beschikken over belangrijke beroepsverenigingen, die hiertoe beter in staat zijn. Wel willen we – ten titel van voorbeeld – enkele bedenkingen weiden aan orthomoleculaire geneeskunde en fythotherapie, aan neuraaltherapie en ozontherapie.
Orthomoleculaire geneeskunde en fytotherapie nemen een bijzondere plaats in . Ze gaan enerzijds van hetzelfde paradigma uit als de klassieke geneeskunde. Anderzijds vinden we aan alle Belgische universiteiten wel hoogleraars , die zich met bepaalde deelgebieden ervan bezighouden. Bovendien bestaat sinds 1988 het Vlaams Instituut voor Orthomoleculaire Geneeskunde (V.I.O.W.) dat naast een postgraduaatopleiding van vier jaar , talrijke congressen en publicaties verzorgt. Verschillende hoogleraren zijn eraan verbonden als wetenschappelijk medewerker en docent.
Bande-Knops, Renaer en Dillemans vonden het nodig reeds in 1985 in Wegwijs gezondheid (Evansfonds) te fulmineren tegen de neuraaltherapie. Denigrerend spreken zij over de “Infiltreerders”. Deze behandelingswijze, die ook ‘Therapeutische lokaalanesthesie’ wordt genoemd , wordt in de Duitssprekende gebieden door minstens één op vier huisartsen toegepast. Ook talrijke specialisten (o.a; orthopedisten, gynaecologen, internisten, neurologen …) passen ze toe. Aan verschillende Duitse, Oostenrijkse en Zwitserse universiteiten worden cursussen in de Neuraaltherapie gedoceerd. Het discussiepunt met de klassieke geneeskunde is het al dan niet bestaan van het stoorveld en het zg. secondefenomeen. Het stoorveld is een subklinische chronische ontsteking, die het grondsysteem (matrix) belast en destabiliseert, waardoor storingen op afstand (locus minoris resitentiae) ontstaan. Deze kunnen uitgeschakeld worden door het inspuiten van procaïne in het stoorveld, waardoor quasi onmiddellijk (secondefenomeen) een herstel van de storing op afstand ontstaat. De universiteitsprofessoren (Wien en Graz) H. TILSCHER en M. EDER schrijven in hun boek ‘Infiltrationstherapie: Therapeutische Lokal Anästhesie;Grundlagen, Indikationen, Techniken’ (Stuttgart,1991) ‘Alhoewel zeldzaam, is het bestaan van secondefenomenen onloochenbaar , ze kunnen via objectieve parameters aangetoond worden. Placebo- en suggestie spelen hierbij geen belangrijke rol’ (p.17, vert.)
Uiteraard vindt ook de Ozontherapie geen genade in de ogen van SKEPP. Hier stuit men echter op een zeer sterke tegenstander: Prof. Dr. Velio BOCCI. Prof. Bocci is gespecialiseerd in pneumologie en haematologie en is hoogleraar in de algemene fysiologie aan de universiteit van Sienna. Na onderzoek over interferon hield hij zich sinds 1991 diepgaand bezig met de wetenchappelijke studie van ozon- en ozontherapie (CV: www.unisi.it/ricerca/dip/ fisiologia/personale/docenti/bocci.htm ). Hij publiceerde (2002) bij de toonaangevende uitgeverij Kluwer “Oxygen-ozone-therapy; A critical evaluation.” Er wordt oa. ingegaan op de stimulering van het antioxydantensysteem en op de immunoproteïnes die uit de bloedcellen worden vrijgezet onder invloed van ozon, zoals interferon, interleukines en tumor-necrosis-factor. Hij concludeert : ‘Authoritative scientists and clinicians should abandon their prejudice and consider the profound difference between the endogenous oxidative stress and the new concept of ozone therapeutic ‘shock’. If this will happen, we could soon have a simple and inexpensive tool to restore health in millions of patients.’
We zouden zo nog even kunnen verder gaan. Ik meen echter voldoende aangetoond te hebben dat men de zg. ‘alternatieve’ geneeskunde zeker niet over één noemer mag scheren en dat het feit dat Prof. Betz vanachter zijn bureau geen dubbelblindstudies vindt over een bepaalde discipline, nog niet betekent dat deze geen positieve bijdrage aan de geneeskunde kan leveren.
Op één zaak willen we echter nog ingaan, omdat het hier om een ethisch probleem gaat. Steeds opnieuw wordt vanuit de hoek van Skepp met scherp geschoten naar iedere natuurarts die ook maar een vinger uitsteekt naar een kankerpatiënt. Er wordt geschermd met enkele tragische mislukkingen zoals de Nederlandse actrice Syvia Millecam. Nadat bij haar een borstknobbel ontdekt werd consulteerde zij – naast natuurgenezers – zowel klassieke als alternatieve artsen. Geen van deze artsen konden haar overtuigen (ook) een klassieke oncologische behandeling te volgen. Zij verkoos zich hoofdzakelijk door paranormale genezers te laten begeleiden. Na twee jaar stierf zij aan een uitgebreide tumor.
In Vlaanderen haalt Vicky Versavel en haar goeroe de voorpagina’s. Het feit dat zij drie jaar na haar operatie voor een kwaadaardig gezwel terug in Familie te zien is, zegt niets over de behandeling die ze van haar natuurarts kreeg. Wellicht was de tumor volledig operabel. Maar was de chemotherapie dan noodzakelijk?
Komen we terug naar de casus Millecam. Deze gaf aanleiding tot een diepgaand onderzoek van de geneeskundige inspectie in Nederland. Als conclusie hieruit formuleert W. Betz zelf : “De Inspectie heeft geen bezwaar tegen alternatief als additionele behandelingswijze, maar wil dat het stellen van een medische diagnose voorbehouden blijft aan artsen. Toezicht op het alternatieve veld, met een registratieplicht voor iedereen die aan gezondheidszorg doet, is noodzakelijk, stelt ze. Verder moet er gecontroleerd worden op gevaarlijke praktijken en mag niemand een behandeling stellen zonder voorafgaande reguliere diagnose. De zorgverlener moet verplicht worden om mee te werken aan de voor de patiënt best mogelijke behandeling en tot openheid van informatie ten opzichte van andere zorgverleners..”
Zoals Betz terecht zegt in het Dagblad Trouw is Nederland een paradijs voor kwakzalvers. Door de Nederlandse BIG-wet kan elke haarkapper zich morgen als therapeut vestigen! Analoge situaties zijn in België zeldzaam, zoniet onbestaande. De wet op de uitoefening van de geneeskunde is er veel sluitender, in de zin als voorgesteld door de Nederlandse geneeskundige inspectie.
Er zijn weinig therapeuten (niet-artsen) die zich in België zullen inlaten met de begeleiding van kankerpatiënten. Daarentegen zijn er heel wat artsen die vinden dat de oncologische patiënt – naast zijn klassieke therapie – een immuunstimulerende complementaire behandeling nodig heeft. De argumenten die door collega Betz tegenover de ‘kwaks’ in stelling gebracht worden snijden dan ook geen hout voor deze artsen.
Vooreerst wordt de ‘alternatieve kankerarts’ meestal slechts geconsulteerd door kankerpatiënten in een gevorderd stadium. De diagnose is duidelijk gesteld, de staging is gebeurd. Meestal heeft reeds een heelkundige ingreep plaats gegrepen en in vele gevallen ook een chemo-of radiotherapie. De behandeling van de alternatieve arts is ondersteunend. Meestal gebeurt dit in goed overleg met de oncoloog. Het risico tot laattijdige behandeling is dus te verwaarlozen..
Wanneer een zeldzame patiënt zich in een vroegtijdig stadium aanbiedt met een diagnose van kanker zal de alternatieve arts hem quasi-steeds kunnen overtuigen zich chirurgisch te laten behandelen. Nadien zal zo mogelijk een consciëntieus overleg gebeuren met de oncoloog over de verder te volgen stappen. Mijn vijfentwintigjarige ervaring leert mij dat dit – met respect voor de uiteindelijke beslissing van de patiënt – meestal tot een positieve samenwerking leidt.
Wij willen hier niet uitgebreid ingaan op de bewering dat de complementaire kankertherapie geen enkel nut zou hebben en als zodanig een oplichten van de patiënt betekent. Deze berust op een gebrek aan informatie, zoniet op kwaadwilligheid. Er zijn talrijke referenties te vinden – ook op Medline – die het positieve effect van complementaire behandelingen aantonen. De geïnteresseerde lezer en vooral de oncoloog die in open dialoog met zijn ‘alternatieve’ collega wil treden verwijs ik naar het recente boek van Prof. Dr. Joseph BEUTH (Hrsg) ’Grundlagen der Komplementär-onkologie/Theorie und Praxis. (Hippokrates-Verlag, Stuttgart, 2002). De eindredacteur Prof. Dr. med Joseph Beuth is hoogleraar aan het “Institut zur Wissenschaflichen Evaluation naturheilkundiger Verfahren “ van de Universiteit Keulen. Verschillende andere professoren in de Tumorimmunologie en de Biometrie werkten mee aan het boek. Naast een basisconcept voor alle kankerpatiënten (waaronder anti-oxydantia) bespreekt hij een aantal indicatiegerichte therapieën die voldoende wetenschappelijk onderbouwd zijn. Hierbij komen niet alleen voeding, sport en psychische begeleiding, maar bv. ook vitaminen, sporenelementen, enzymen, thymuspreparaten, viscum, hyperthermie en therapie met dendritische cellen aan bod. Ook Prof. BOCCI geeft in zijn hoger vermeld werk heel wat aanwijzingen dat ozontherapie ook bij kankerpatiënten een belangrijke ondersteuning kan betekenen. Hij besluit : ‘I know that some Western countries … have powerful medical resources and in a couple of years could examine the tree main possibilities of oxygen-ozone therapy: infections, vascular diseases and cancer. … IF COMMERCIAL INTERESTS AND PREJUDICE WILL NOT PREVENT THIS RESEARCH …’
Wat Betz ook moge beweren, hier ligt de kern van de zaak. Wetenschappelijk onderzoek wordt vandaag hoofdzakelijk gefinancierd door de farmaceutische industrie. Deze kan geen onderzoek blijven financieren – en dit begrijp ik maar al te goed – zonder dat er een terugflow is onder de vorm van gepatenteerde medicamenten. Om een voorbeeld van Bocci aan te halen: men kan zelfs moeilijk een onderzoek financieren waar ozon naast klassieke medicatie wordt gebruikt omdat geen enkele variantieanalyse kan uitmaken wel gedeelte van het resultaat toe te schrijven is aan de klassieke medicatie en welk deel aan de ozontherapie. Onderzoek naar complementaire behandelingsmethoden kan enkel gefinancierd worden met belastingsgeld.
Wanneer zal er in België geld gevonden worden voor een “Instituut voor de wetenschappelijke evaluatie van de natuurgeneeskundige methoden”? Wanneer zal er een leerstoel ontstaan als deze van Prof. Beuth in Keulen? Deze leerstoel moet – tenminste gedeeltelijk – bezet worden door iemand die jarenlang ervaring heeft op het veld van de complementaire geneeskunde. De kleine investering die dit vraagt zal honderdvoudig terugvloeien naar de staatskas, al was het maar door het preventief effect dat ervan zou uitgaan. Daarom ben ik ervan overtuigd dat er minstens bij een gedeelte van de politieke verantwoordelijken in dit land hiertoe een bereidheid bestaat.
Ik ben er mij van bewust dat dit niet op één jaar kan gerealiseerd worden Er moet een kritische dialoog ontstaan over de aanvaardbaarheid van de complementaire geneeskunde. Dit is iets anders dan het SKEPP-tisch afwijzen ervan. Daarom zal voluntariaat en het werk van talrijke artsenverenigingen nog lang een belangrijke rol spelen bij de bevordering van dialoog en openheid.
Op Europees vlak zijn een groot aantal van deze artsenverenigingen gegroepeerd in de ECMP (zie kader). Op Belgisch vlak zal de Belgische Academie voor Integrerende Geneeswijzen (AIG) overgaan tot het oprichten van een informatie- en dialoogforum onder de vorm van een Web-site : www.a-i-g.be.
Dat Prof. Betz en de kern van SKEPP op dit aanbod tot dialoog zouden ingaan zou een mirakel heten. Gelukkig zijn er nog talrijke andere professoren – ook in de huisartsgeneeskunde – in ons land, die zich niet als prominente leden van SKEPP willen manifesteren. Zij zijn wellicht wel tot dialoog bereid. Hen – en alle andere Belgische artsen – nodig ik in naam van de 55.000 EU-artsen die achter de Europese Federatie van Artsenverenigingen voor het Therapeutisch Pluralisme’ (ECPM) staan uit tot een constructieve dialoog.
dr. Mark Bottu, co-president ECPM
.


